zondag 4 november 2012

Wie vult de picknickmand?

In de voorgaande blogberichten werd betekenisvorming uitgelegd vanuit het pragmatisme, een Amerikaanse filosofische stroming waarvan C.S. Peirce (1839-1914) een belangrijke vertegenwoordiger was. Er is echter ook een Europese filosofische stroming die zich met betekenisvorming bezighoudt. In het college beeldcultuur van 29 oktober j.l. hebben we de structuralistische semiotiek behandeld.


Structuralistische betekenisvorming
Aan deze stroming liggen de ideeën van de Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure (1857-1913) ten grondslag. Saussure ging ervan uit dat een systeem van taaltekens het denken mogelijk maakt. Hij ziet het taalsysteem als een samenhangend geheel: het teken is onlosmakelijk verbonden met de betekenis [1].

Betekenisvormingsproces
Net als bij de betekenisdriehoek van Peirce kan de betekenis die gevormd wordt uit de eerste combinatie vorm/inhoud weer gebruikt worden als basis voor de volgende stap in het betekenisvormingsproces. De neutrale, objectieve betekenis die aan het teken gegeven wordt, wordt denotatie genoemd. Ieder teken heeft echter ook een subjectieve betekenis: mensen kunnen op grond van hun kennis en ervaring andere associaties bij een bepaald woord/teken hebben. Dit noemen we connotatie.

Een kenmerk van het structuralisme is het dualistisch denken, dat de basis vormt van de westerse samenleving. In reactie hierop wees Jacques Derrida (1930-2004) op de hiërarchische structuur van de tegenstellingen en op de daaruit voortvloeiende onderdrukking van de alternatieven. Deze benadering leidde tot zijn theorie van het deconstructivisme, waarbij de verstrengeling van de tegenstellingen in de tekst blootgelegd kan worden. [1]

Interpretatie van tekens
Binnen het mechanistisch wereldbeeld is het de taak van de wetenschap om de waarheid te vinden. Natuurwetenschappelijk onderzoek levert informatie over oorzaken van verschijnselen, waardoor de waarheid benaderd kan worden. Omdat het binnen de geesteswetenschappen veel moeilijker is om tot de "waarheid" te komen, wordt geprobeerd teksten en kunstwerken betekenis te geven door deze te interpreteren. Het gaat hierbij niet om nieuwe feiten maar om het introduceren van een nieuw perspectief van waaruit de tekst/het kunstwerk bestudeerd wordt. Hierbij ontstaan echter opnieuw problemen, want...
  1. wat wordt geínterpreteerd?
  2. welke interpretatie is legitiem?
  3. gaan we uit van de bedoeling van de maker, de verwijzingen in het werk of de kennis van de beschouwer?
  4. en welke rol speelt de context waarin het werk is ontstaan? [1]
Bestaat er één legitieme interpretatie?
Bij het beantwoorden van deze vraag wordt uitgegaan van drie verschillende invalshoeken.
  1. een reconstructie van de bedoeling van de maker. Dit is de meest natuurlijke manier van interpreteren. Deze manier past niet in het structuralistisch denken, omdat de betekenis niet opgesloten zou liggen in het teken. De maker geeft zijn boodschap door via bepaalde codes die bij de ontvanger bekend moeten zijn. Maar wat gebeurt er als de bedoeling van de maker niet meer te achterhalen is? Of als er betekenissen aan een tekst of kunstwerk toegekend kunnen worden die de maker niet heeft voorzien?
  2. het werk zelf is doorslaggevend. Deze manier van interpreteren is duidelijk structuralistisch. Binnen het werk worden argumenten gezocht om de betekenis te achterhalen. Er wordt gelet op andere signalen in het werk die de interpretatie ondersteunen. Op het moment dat de interpretatie niet door andere signalen ondersteund wordt, is deze niet legitiem. Als men op deze manier een werk interpreteert, gaat men uit van vooronderstellingen. Een ideale kijker/lezer moet over voldoende achtergrondkennis beschikken om de signalen in het werk te duiden.
  3. interpretatie komt tot stand door middel van interactie tussen het werk en de kijker. Het werk zelf en de kennis over de maker laten de beschouwer zelf de interpretatie maken. Er bestaat geen onderscheid tussen een legitieme en een niet-legitieme interpretatie. Deze opvatting past binnen het postmodernistisch wereldbeeld.
Eco, Rorty en Culler
Sinds 1990 voerden filosofen en literatuurwetenschappers een openbaar debat over de legitimering van interpretaties. Naar aanleiding van zijn Tanner Lecture (1990) ging Umberto Eco (*1932) in discussie met de filosoof Richard Rorty (1931-2007) en de literatuurwetenschapper Jonathan Culler (*1944). [2] Dit debat centreert rond de vraag of er één legitieme interpretatie bestaat? En zo ja, welke criteria geformuleerd moeten worden op grond waarvan de interpretatie legitiem genoemd mag worden.

Eco reageert in zijn lezing in eerste instantie op de visie van het deconstructivisme: een tekst is een picknick waarvoor de auteur woorden meebrengt en de lezer betekenis. [3] Deconstructivisten legitimeren hun visie door te stellen dat de mogelijkheden van de taal ontoereikend zijn om een tevoren vastgelegde betekenis uit te drukken. Eco is echter van mening dat taalkundige verbanden binnen een tekst de bedoeling van de tekst duidelijk maken. Hierdoor worden grenzen gesteld aan de interpretatie.

Rorty reageert op de stelling van Eco door aan te geven dat de "Ware Aard van een Tekst" niet bestaat. Deze pragmatische opvatting komt voort uit de semiotiek van Peirce. Door interactie komt het betekenisvormingsproces op gang. Uitgaande van zijn/haar EXISTENCE construeert de beschouwer zijn/haar eigen interpretatie. Het lijkt alsof Rorty daarmee de visie van het deconstructivisme volgt. Toch neemt hij afstand hiervan, omdat deconstructivisten binnen een tekst fundamentele structuren vermoeden, die de lezer manipuleren bij de interpretatie.

Culler reageert op de stelling van Eco door op de context te wijzen. Net als deconstructivisten vindt hij dat betekenis aan een tekst gegeven kan worden door enerzijds de tekst in relatie te brengen met andere teksten of cultuuruitingen en door anderzijds de relaties binnen de tekst bij de interpretatie te betrekken. Culler breidt deze opvatting uit door te wijzen op de nieuwe contextuele mogelijkheden die zich voor kunnen doen. Hierin zien we de opvatting m.b.t. REALITY en EXISTENCE van Peirce terug. 

Bronnen:
1. Leezenberg, M. & Vries, G. de (2010) Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen. Amsterdam : Amsterdam
    University Press
2. Eco, U. (1990) Interpretation and Overinterpretation: World, history, texts. Cambridge : Cambridge University.               
    Gedownload via: Tanner Lecture 1990 (Geraadpleegd op 3 november 2012)
3. Driel, H. van (1993) Over interpretatie : recensie van Umberto Eco. over interpretatie  
    Gedownload via http://www.krisis.eu/content/1993-4/1993-4-11-driel.pdf 



3 opmerkingen:

  1. Bravo Marlies, je geeft de theorie helder weer, verbindt haar met nieuwe zaken en nieuwe namen, en je verbindt haar met Peirce, zoals we die eerder hebben besproken.

    Niets op aan te merken.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Bedankt voor je reactie, Hans. Ik ben blij met deze feedback, omdat ik nu weet dat ik op de goede manier bezig ben.

      Verwijderen
  2. Oh ja, en mijn eigen recensie was ik alweer vergeten....

    BeantwoordenVerwijderen